The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
“Ja, dood eenvoudig.”
“Vrienden,” zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein van dit vaartuig.”
“Het is zooals gij zegt,” antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde hij met zachte stem:
“Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u, mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het [71]werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld, wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde, welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen, en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien.”
Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: “Indien gij met de menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen, al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding zou aanbieden.”
Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.
“Eene laatste vraag,” zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare wezen weg scheen te willen gaan.
“Spreek op, mijnheer.”
“Hoe moet ik u noemen?”
“Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor mij slechts de passagiers van de Nautilus.”
De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: “Een maal wacht u in uwe hut; volgt dien man slechts.”
“Dat weiger ik niet,” antwoordde de harpoenier.
Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan dertig uur hadden opgesloten gezeten.
“En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts voorgaan.” [72]
“Gaarne, kapitein.”
Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen, die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren het scherpe licht eenigszins temperden.
In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo wees mij een stoel aan.
“Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven moet.”
Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn, en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.
De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde om tot hem te richten.
“De meesten van deze gerechten,” zeide hij, “zijn u onbekend; evenwel kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders als ik.”
“Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?” vroeg ik.
“Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften; dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen, evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen, welke ik zelf doorzoek, en waarop ’s Heeren hand steeds alle dingen gezaaid heeft.”
Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: “Ik begrijp volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen, ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt.”
“Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren,” antwoordde de kapitein. [73]
“De meesten van deze gerechten zijn u onbekend.”
“En dit dan toch?” hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop nog eenige plakken vleesch lagen.
“Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets [74]anders als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van al die gerechten: hier is een gelei van holothuriën, welke een Maleier onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk, en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen.”
En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke verhalen.
“Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal terug keeren!”
“Bemint gij de zee, kapitein?”
“Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is ‘het levende oneindige,’ zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad, mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-, planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen, elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld op, dáar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! [75]O mijnheer, leef, leef in de diepten der zee! Daar alléén is men onafhankelijk, daar alléen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!”
Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: “als gij nu de Nautilus wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst.”
Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.
“Kapitein Nemo,” zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast mij plaats nam, “dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren.”
“Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?” antwoordde de kapitein. “Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?” [76]
“Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 deelen....”
“12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt er vrij gebruik van maken.”
Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen wat hem in de hand kwam.
Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de verslagen van de academie van wetenschappen en
Comments (0)