American library books » Fiction » Naar het middelpunt der Aarde by Jules Verne (ereader for android txt) 📕

Read book online «Naar het middelpunt der Aarde by Jules Verne (ereader for android txt) 📕».   Author   -   Jules Verne



1 ... 19 20 21 22 23 24 25 26 27 ... 36
Go to page:
naam niet meer verlaten; want wij zouden gevaar loopen elkaar niet meer terug te zien!”

“Laten wij elkander niet meer verlaten!” De reis was dan nog niet ten einde? Ik zette van verbazing groote oogen op, hetgeen onmiddellijk tot deze vraag aanleiding gaf:

”Wat scheelt u toch, Axel?”

“Ik moet u iets vragen. Gij zegt, dat ik gezond en wel ben?”

“Zonder twijfel.”

“Dat mijn lichaam ongedeerd is?”

“Zeker.”

“En mijn hoofd?”

“Uw hoofd staat op eenige kneuzingen na, ongeschonden op zijne plaats op uwe schouders.”

“Welnu! ik vrees, dat mijne hersenen in de war zijn.”

“In de war?”

“Ja. Zijn wij niet op de oppervlakte van den aardbol terug?”

“Zeker niet!”

“Dan moet ik gek zijn; want ik bemerk het daglicht, ik hoor het geraas van den wind, die blaast en van de zee, die op het strand breekt!”

Bladzijde 144“Zoo! is het anders niet?”

“Zult gij het mij ophelderen?”

“Ik zal u niets ophelderen, want het is onverklaarbaar; maar gij zult zien en begrijpen, dat de geologische wetenschap haar laatste woord nog niet heeft gesproken!”

“Laten wij dan heen gaan!” riep ik driftig opstaande.

“Neen, Axel! neen! de open lucht zou u kwaad kunnen doen.”

“De open lucht?”

“Ja! het waait vrij hard. Ik wil niet, dat gij u zoo blootstelt.”

“Maar ik verzeker u, dat ik heel wel ben.”

“Een beetje geduld, mijn jongen! Als gij weder instort, zou ons dat in groote ongelegenheid brengen, en wij moeten geen tijd verliezen, want de overtocht kan lang duren.”

“De overtocht?”

“Ja! rust vandaag nog wat uit, dan zullen wij ons morgen inschepen.”

“Ons inschepen!”

Dat laatste woord deed mij van vreugde opspringen.

Hoe! ons inschepen! Hadden wij dan een stroom, een meer, eene zee ter onzer beschikking? Lag er een schip voor anker in de eene of andere inwendige haven?

Mijne nieuwsgierigheid werd ten hoogste geprikkeld. Te vergeefs poogde mijn oom mij tegen te houden. Toen hij zag, dat het ongeduld mij meer kwaad zou doen dan de bevrediging mijner wenschen, gaf hij toe.

Ik kleedde mij spoedig aan; uit overdrevene voorzichtigheid draaide ik mij in eene der dekens, en verliet de grot.

Hoofdstuk XXX

De zee.—Onderaardsch licht.—Onmetelijk hol.—Versterkende zeewind.—Woud van paddestoelen.—Fossiele beenderen.—Vrees voor voorwereldlijke monsters.—Gerustheid van den professor.

Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan verbaasd.

“De zee!” riep ik.

“Ja!” antwoorde mijn oom, “de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben, noch het recht om haar naar mij te noemen!”

“De zee!”

Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een Bladzijde 145oceaan strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin Bladzijde 146de eerste wezens der schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas, dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand, omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.

Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers, maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.

Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat een “bijzonder” licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een oceaan kon bevatten.

Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar nu “was het mooi weer.” De electrische plekken brachten verbazende spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.

Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl Bladzijde 147twee sterren, Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij de waarheid gesproken hebben?

Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.

Het woord “hol” drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.

Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.

Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht, het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat, hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.

Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn van verschijnselen, waarvan mijne “aardsche” natuur geen begrip had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht, bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.

Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij Bladzijde 148de kracht eener zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.

Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.

Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was, verwonderde zich niet meer.

“Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?” vroeg hij mij.

“Ja zeker!” antwoordde ik, “niets zal mij aangenamer zijn.”

“Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever volgen.”

Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs de kust van dezen nieuwen oceaan.

Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan, en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.

Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek, die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan had sedert de schepping der wereld.

“Haar zullen wij voortaan missen!” zeide ik zuchtende.

“Ba!” antwoordde de professor, “haar of eene andere, wat maakt dat uit?”

Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.

Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.

Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen, bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.

Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, Bladzijde 149maar op eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk bij hun naam.

“Het is een woud van paddestoelen.”

“Het is een woud van paddestoelen,” zeide hij.

Bladzijde 150En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen ophouden. Ik wist, dat de “lycoperdon giganteum,” volgens Bulliard, een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte, dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de ronde daken eener afrikaansche stad.

Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen begroette ik weder de oevers der zee.

Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige cactussen.

“Verbazend,” riep mijn oom. “Ziedaar de geheele plantenwereld uit het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een plantenkenner op zulk een feest geweest!”

“Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld.”

“Gij zegt terecht, dat

1 ... 19 20 21 22 23 24 25 26 27 ... 36
Go to page:

Free e-book: «Naar het middelpunt der Aarde by Jules Verne (ereader for android txt) 📕»   -   read online now on website american library books (americanlibrarybooks.com)

Comments (0)

There are no comments yet. You can be the first!
Add a comment