The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
Indien sommigen het slechts beschouwden als een wetenschappelijk raadsel, hetwelk moest worden opgelost, dan dachten anderen vooral in Amerika en Engeland, met vrij wat practischer zin er aan om den Oceaan van dit vreeselijk monster te bevrijden, om de groote vaart daardoor te beveiligen. Dagbladen en tijdschriften aan de belangen van nijverheid en handel maar vooral aan het assurantiewezen gewijd, behandelden de zaak voornamelijk uit dit oogpunt, en waren hierin eenstemmig; de verzekeringmaatschappijen dreigden zelfs hare premiën te verhoogen.
Toen de openbare meening uitspraak gedaan had, verklaarden de Vereenigde Staten zich het eerst. Men maakte te New-York toebereidselen voor een tocht om den eenhoorn te vervolgen. Een fregat met eene spoor voorzien en van groote snelheid, de Abraham Lincoln, werd uitgerust om zoodra mogelijk zee te kiezen. De kapitein Farragut had vrije beschikking over de tuighuizen, en hij maakte daarvan een goed gebruik om zijn fregat zoo snel mogelijk uit te russen. [13]
“Zoo als mijnheer belieft”
Zooals het wel eens meer gebeurt geschiedde het ook thans; toen men besloten had om het monster te vervolgen, verscheen dit niet meer. Gedurende twee maanden hoorde niemand er over spreken, [14]geen schip ontmoette het dier. Het was alsof die eenhoorn kennis droeg van de samenzwering welke tegen hem gesmeed werd; men had er zoóveel over gesproken en zelfs door middel van den transatlantischen telegraafkabel! Daarom beweerden enkele spotters dat die slimme kwant eenig telegram had opgevangen, waarmede hij nu zijn voordeel deed.
Derhalve wist men niet waarheen het fregat gezonden moest worden, nu het voor een verren tocht uitgerust—en van verbazende vischtoestellen voorzien was. Men werd hoe langer hoe ongeduldiger toen men den 2den Juli vernam dat de Tampico, eene boot van San Francisco naar Shanghai, het dier drie weken geleden wederom in het noordelijk gedeelte van de Stille Zuidzee gezien had. De ontroering, welke deze tijding veroorzaakte, was buitengemeen groot. Men liet den kapitein Farragut geen vierentwintig uur beraad; zijne victualie was aan boord; hij had kolen in overvloed, niemand ontbrak er op de scheepsrol, hij behoefde zijn schip slechts onder stoom te brengen en het anker te lichten; men zou hem een dag oponthoud kwalijk genomen hebben, bovendien verlangde de kapitein niets liever dan te vertrekken.
Drie uur voordat de Abraham Lincoln van de kaai van Brooklyn werd losgemaakt, ontving ik den volgenden brief:
Mijnheer, 3 Juli 1867.
“Indien gij lust gevoelt om den tocht met den Abraham Lincoln mede te maken, zal de regeering der Vereenigde Staten met genoegen zien dat Frankrijk daarbij door u vertegenwoordigd wordt. De Kapitein Farragut heeft eene hut ter uwer beschikking.
Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn.
Uw. Dw. Dienaar, J. B. Hobson, Secretaris aan het Departement van Marine.
Den WelEdel Hoog Geleerden Heer den Heer Aronnax, professor aan het museum te Parijs. Hôtel der vijfde Avenue te New-York.
Drie seconden voor ik den brief van den heer Hobson kreeg, dacht ik er evenmin aan om den eenhoorn te vervolgen als om de [15]Noordwestelijke doorvaart te gaan zoeken, maar drie seconden na den brief te hebben gelezen, begreep ik eindelijk dat mijne wezenlijke roeping, het eenige doel van mijn leven was om dit onrustbarende monster op te jagen en er de aarde van te bevrijden. Doch ik kwam pas van eene moeilijke reis terug, was zeer afgemat en verlangde naar rust; voor weinige oogenblikken reikhalsde ik er naar om mijn vaderland en mijne vrienden terug te zien, en weder rustig in mijne kleine woning in den Plantentuin te midden mijner kostbare verzamelingen te zitten. Maar niets kon mij nu terughouden; ik vergat alle vermoeienis, vrienden, verzamelingen, alles, en zonder er lang over te denken nam ik het aanbod der Amerikaansche regeering aan. Overigens dacht ik, dat elke andere weg mij ook wel naar Europa kon terugbrengen, en dat de eenhoorn beleefd genoeg zou zijn om mij naar de Fransche kust te voeren! Dat dier, hoopte ik, zou zich in de eene of andere Europeesche zee, al was het alleen om mij genoegen te doen, wel laten vangen, en dan bracht ik op zijn minst een halven meter van zijn ivoren hoorn mede voor het museum van natuurlijke historie.
Maar intusschen moest ik het dier in het noordelijk deel der Stille Zuidzee helpen opzoeken, en dat was zoo wat de weg naar onze tegenvoeters in plaats van naar Frankrijk.
“Koen!” riep ik ongeduldig.
Koenraad was mijn knecht, een trouwe jongen, die mij op al mijne reizen vergezelde; een brave Vlaming van wien ik veel hield, en die mij met gelijke munt betaalde; hij was zeer bedaard van natuur, nauwgezet van beginselen, ijverig uit gewoonte, verwonderde zich bijna nimmer over eenig toeval in dit leven, was zeer handig, geschikt voor allerlei diensten, en gaf, in spijt van zijn naam, nimmer eenigen raad, zelfs als men er hem om vroeg. Door zijn verkeer te midden van de geleerden van den Plantentuin had Koenraad ten slotte nog al een en ander geleerd. Ik bezat in hem eene specialiteit voor het verdeelen in klassen van voorwerpen uit de natuurlijke historie; hij was bijzonder vlug in het ordenen van alle vertakkingen, groepen, klassen, orden, familiën, geslachten, soorten, verscheidenheden, maar daartoe bepaalde zich ook zijne geheele kennis. Klassenverdeeling was zijn leven, en hij wist niets meer. Hoe bekwaam ook in de theorie der klassen, was hij het volstrekt niet in de practijk, en ik geloof dat hij geen potvisch van een walvisch had kunnen onderscheiden. En toch was het een brave en flinke jongen!
Koenraad was mij nu gedurende ongeveer tien jaar overal gevolgd waar mijn wetenschappelijk onderzoek mij heen voerde. Nooit had hij eenige aanmerking gemaakt over den langen duur of over de vermoeienis eener reis; nimmer verstoutte hij zich een woord tegen te spreken als hij zijn valies moest pakken om mij naar eenig land, [16]China of Congo, hoe ver afgelegen ook, te volgen. Hij trok overal mede heen, zonder naar eenige reden te vragen. Overigens had hij een sterk gestel, dat met alle kwalen den spot dreef; stevige spieren, maar geen zweem van zenuwen—in zedelijken zin altijd.
Die jongen was dertig jaar oud; zijn leeftijd stond tot die van zijn meester als 3 tot 4, ik behoef dus niet te zeggen dat ik 40 jaar oud was. Koenraad had slechts éen gebrek; hij nam de vormen tot in het bespottelijke in acht, zoodat hij mij altijd in den derden persoon aansprak—soms tot tergens toe.
“Koen!” riep ik nog eens, terwijl ik in koortsige haast toebereidselen tot mijn vertrek begon te maken.
Ik was zeker van den trouwen jongen; gewoonlijk vroeg ik hem nooit of hij mij op mijne reizen verkoos te volgen of niet, maar ditmaal gold het een tocht, die tot in ’t oneindige kon duren, en dan nog wel een zeer gevaarlijken tocht om een dier te vervolgen, dat in staat was om een fregat als een notedop te doen zinken! Er was wel reden om er eens over na te denken, zelfs voor den kalmsten mensch van de wereld. Wat zou Koenraad wel zeggen?
“Koen!” riep ik voor de derde maal.
Koenraad verscheen.
“Roept mijnheer mij?” vroeg hij binnenkomende.
“Ja mijn jongen. Pak mijn goed, en maak u gereed; wij vertrekken over twee uur.”
“Zoo als mijnheer belieft,” antwoordde Koenraad bedaard.
“Wij hebben geen oogenblik te verliezen; stop zonder te tellen al mijne reisbenoodigdheden in mijn koffer; kleeren, hemden, laarzen zooveel als gij maar kunt, en haast u!”
“En mijnheers verzamelingen?” vroeg hij.
“Daar zal ik mij later mede bemoeien.”
“Wat! de archiotheriums, hyracotheriums, oreodons, cheropotamussen en andere skeletten?”
“Men zal die in ’t logement wel voor mij bewaren.”
“En mijnheers levende babiroussa?”
“Men zal die in mijne afwezigheid wel voeren. Bovendien zal ik order geven om onze geheele menagerie naar Frankrijk te zenden.”
“Keeren wij dus niet naar Parijs terug?” vroeg Koenraad.
“Ja ... zeker....” antwoordde ik eenigszins ontwijkend, “maar langs een omweg.”
“Zoo als mijnheer belieft.”
“’t Is maar eene kleinigheid, een eenigszins minder rechte weg, dat is alles; wij gaan met den Abraham Lincoln.”
“Zooals mijnheer goedvindt,” antwoordde Koenraad bedaard.
“Gij weet, mijn vriend, er is sprake van een monster ... een verschrikkelijken eenhoorn,... wij gaan de zee er van bevrijden!... [17]De schrijver van een werk in twee quarto deelen over de “Geheimen van de diepten der zee,” mag niet nalaten om zich met kapitein Farragut in te schepen. Een roemvolle tocht,... maar gevaarlijk [18]ook. Men weet niet waar men heen gaat. Die dieren kunnen allerlei grillen hebben; maar wij gaan toch; wij hebben een kapitein, die goed uit zijne oogen kijkt.”
De vloot van scheepjes en booten volgde het fregat.
“Zooals mijnheer doet, doe ik ook,” zeide Koenraad.
“Denk er goed over na, want ik wil u niets verbergen; het is eene reis waarvan men niet altijd terugkeert.”
“Zooals mijnheer goedvindt.”
Een kwartier daarna waren onze koffers gepakt: Koen was in een ommezien gereed, en ik was zeker dat er niets vergeten was, want die jongen rangschikte mijne hemden en bovenkleeren even goed als vogels en zoogdieren.
De hijschmachine van het hôtel bracht ons in den grooten gang; ik ging een paar trappen lager naar het kantoor om mijne rekening te betalen; ik gaf bevel om mijne opgezette dieren en gedroogde planten naar Parijs te verzenden en om de babiroussa te voeren, en stapte gevolgd door Koenraad in een rijtuig. De wagen reed Broadway af naar Unionsquare, volgde de Vierde Avenue tot aan hare vereeniging met de Bowerystraat, sloeg toen de Katharinestraat in en hield bij den 34en steiger stil; daarvandaan bracht ons de Katharinaboot met paarden en rijtuig over naar Brooklyn, de groote voorhaven van New-York, hetwelk op den linkeroever der Oost-rivier ligt, en in weinige minuten waren wij op de kaai, waar de Abraham Lincoln vervaarlijke rookwolken door hare beide schoorsteenen naar boven stuwde.
Onze bagage werd onmiddellijk op het dek van het fregat gebracht. Ik haastte mij aan boord te komen en vroeg naar den kapitein. Een der matrozen bracht mij op de kampanje, waar ik een officier vond met een goed voorkomen, die mij de hand toestak.
“Mijnheer Pierre Aronnax?” vroeg hij.
“Dat ben ik,” antwoordde ik hem. “Kapitein Farragut?”
“In eigen persoon. Wees welkom, mijnheer de professor; uw hut is voor u gereed.”
Ik groette hem, en liet den kapitein verder voor het uitzeilen zorgen, terwijl ik mij de hut deed aanwijzen, welke voor mij bestemd was.
De Abraham Lincoln was voor hare nieuwe bestemming goed gekozen en uitgerust. Het was een snelzeilend fregat, met eene machine, welke eene stoomspanning van zeven atmosferen toeliet. Met deze drukking had de Abraham Lincoln een gemiddelde snelheid van 18,3 kilometer in het uur, eene aanzienlijke snelheid, maar onvoldoende om met den reusachtigen visch te wedijveren.
De inwendige inrichting van het fregat beantwoordde aan het overige. Ik was zeer tevreden over mijne hut, welke zich in het achterschip bevond en uitkwam in het officierssalon. [19]
“Wij zullen hier op ons gemak zijn,” zeide ik tegen Koenraad.
“Even goed als een slak in haar schelp!” antwoordde Koenraad.
Ik liet Koenraad onze koffers behoorlijk plaatsen en ging zelf weer naar boven om de toebereidselen tot de afvaart te zien. Op dit oogenblik liet de kapitein de laatste trossen, welke het fregat aan de kaai van Brooklyn bevestigden, losgooien. Als ik dus een kwartier later gekomen was, zou het schip zonder mij vertrokken zijn, en ik had dien buitengewonen, bovennatuurlijken en onwaarschijnlijken tocht niet medegemaakt, waarvan het ware verhaal evenwel niet overal geloof zal vinden. Maar de kapitein wilde geen dag, geen uur zelfs verliezen om de zee te bereiken waar het dier het laatst gezien was. Hij liet den machinist op het dek komen.
“Hebben wij drukking genoeg?” vroeg hij.
“Ja wel, mijnheer,” antwoordde de machinist.
“Go head!” riep daarop kapitein Farragut.
Dit bevel werd naar de machinekamer overgebracht door middel van een toestel met samengeperste lucht, en de onder-machinist draaide de kruk om, welke de machine in beweging moest brengen; de stoom drong sissende in de geopende pijpen; lange horizontale stampers zuchtten en brachten de zuigerstang in beweging, de schroef draaide met toenemende snelheid in het water rond, en de Abraham Lincoln stoomde statig
Comments (0)