The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen; deze kwam: “Mijnheer,” vroeg de kapitein, “hebt gij stoom genoeg!”
“Jawel kapitein,” was het antwoord.
Drie hoezee’s volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de heftige beweging der machine.
De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken, maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk, dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein trok zich woedend aan den baard.
“Ned Land!” riep hij; deze kwam op dit bevel.
“Zeg eens, Land,” vroeg de kapitein, “raadt gij mij nog aan de sloepen in zee te laten?”
“Neen kapitein,” antwoordde Ned, “want dat dier zal zich niet laten vangen dan als het wil.”
“Wat dan te doen?”
“Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal ik het mijn harpoen in ’t lijf gooien.”
“Ga je gang,” antwoordde de kapitein. “Machinist” riep hij toen, “vermeerder de drukking!”
Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt, de schroef draaide 43 maal in de minuut en de stoom perste [40]door de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in ’t uur liep; maar het verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef het fregat dezelfde snelheid behouden zonder éen vadem te winnen. Het was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.
“Hebt gij de hoogste drukking?” vroeg de kapitein driftig.
“Ja kapitein,” antwoordde de machinist.
“En zijn de veiligheidskleppen belast?”
“Tot op 6½ atmosfeer.”
“Belast ze tot op tien atmosferen!”
Dit was een echt Amerikaansch bevel; op den Mississippi zou men niet anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.
“Weet gij wel Koen,” zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast mij stond, “dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?”
“Zooals mijnheer belieft!” antwoordde Koenraad.
Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans te loopen.
De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen; de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke rookwolken den doorgang verschaffen.
De log werd ten tweeden male uitgeworpen.
“Hoeveel, stuurman?” riep de kapitein.
“19,3 kilometer, kapitein!”
“Stook op!” beval Farragut.
De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen; maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3 kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet het dier zich naderen.
“Wij halen hem in! Wij halen hem in!” riep Ned, maar op het oogenblik dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.
Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur ’s morgens. Toen besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden. [41]
Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.
“Zoo,” zeide hij, “loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln, dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen aan het voorstuk!” [42]
Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht; het schot ging af, maar de kogel vloog eenige voeten te hoog en over het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.
“Een ander die beter bij de hand is!” schreeuwde de kapitein, “500 dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!”
Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde, en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.
“Wat drommel,” riep de oude kanonnier woedend, “is die schelm dan met zesduims platen gepantserd?”
“Vervloekt!” riep de kapitein.
De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide: “ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt.”
“Gij hebt gelijk!” antwoordde ik.
Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geëindigd was, en wij het bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. ’s Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend als den vorigen nacht.
De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt, en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas, stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich met [43]de eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit, en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok, en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik over de verschansing in zee geworpen.
Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen, wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder daarom nog zoo’n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?
Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren was. “Help! help!” riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde, om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij; het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden er door verlamd; ik zonk; ik stikte.
“Help!” het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik worstelde en zonk naar den afgrond....
Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen; ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde—ja waarachtig ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen: [44]
“Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen, zal hij veel gemakkelijker zwemmen.”
Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.
“Hoe, zijt gij het?” vroeg ik.
“Ik zelf mijnheer,” antwoordde Koen, “tot mijnheers dienst.”
“Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?”
“Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer gevolgd.”
De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.
“En het fregat?” vroeg ik.
“Het fregat,” antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide, “ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet.”
“Wat zegt gij?”
“Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui hoorde zeggen: “de schroef en het roer zijn stuk....”
“Stuk?”
“Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig voor ons, omdat er geen stuur meer in zit.”
“Dan zijn wij verloren.”
“Misschien,” antwoordde Koenraad bedaard; “maar wij hebben toch nog eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren.”
De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. “Als mijnheer mij veroorlooft ze los te snijden,” zeide hij, en hij sneed met zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort, en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!
Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem voorwaarts duwen. Wij zouden elk [45]niet meer dan tien minuten die rol van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.
Comments (0)