The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen.
Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam, zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat bevond zich toen op 31° 15′ N.B. en 136° 42′ W.L. De Japansche kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder alle licht in de duisternis van den nacht.
Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen eenigermate [33]onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid.
Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.
[34]
“Komaan Koen,” zeide ik, “nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid om 2000 dollars in uw zak te steken.”
“Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen,” antwoordde Koenraad, “dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen duit armer door zijn geworden.”
“Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd....”
“In mijnheers kleine kamer,” antwoordde Koenraad, “in mijnheers museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken.”
“Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen.”
“Zeker,” antwoordde Koenraad bedaard, “ik denk wel dat men mijnheer zal uitlachen, en—mag ik het zeggen?
“Wel zeker, Koen.”
“Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient.”
“Waarlijk?”
“Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet bloot aan....”
Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, die schreeuwde:
“Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!”
Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep nog slechts langzaam vooruit.
Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien [35]had; mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.
Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans langzamerhand verminderde.
“Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes,” riep een van de officieren.
“Neen mijnheer,” antwoordde ik met overtuiging, “nooit hebben steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren ... het snelt naar ons toe!”
Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.
“Stilte,” beval de kapitein, “het roer in den wind, achteruit!”
De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde wendende, beschreef een halven cirkel.
“Roer recht! Vooruit!” riep de kapitein.
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met dubbele snelheid.
Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen het aan de andere zijde van het fregat, [36]hetzij dat het er omheen was gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.
Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing te lezen.
“Mijnheer Aronnax,” antwoordde hij, “ik weet niet met welk verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen.”
“Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?”
“Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, maar een electrieke tevens.”
“Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?”
“Misschien,” antwoordde de kapitein, “maar als het electrieke kracht bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer.”
De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of liever om een juister uitdrukking te bezigen “ging hij uit” evenals een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren, gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens met geweld wordt uitgespoten.
De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje, en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.
“Ned Land,” vroeg de kapitein, “hebt gij dikwijls het geblaas van walvisschen gehoord?”
“Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alléen mij 2000 dollars opbracht.”
“Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens, is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij het water door hunne kieuwen uitblazen?”
“Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch, die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein, zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met hem wisselen.” [37]
Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.
“Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned,” antwoordde ik op ongeloovigen toon.
“Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen,” [38]voegde Ned er bij, “dan zal hij mij wel moeten aanhooren.”
“Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer beschikking stellen?” hernam de kapitein.
“Zeker kapitein.”
“Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel.”
“En het mijne!” antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.
Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw, maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee, hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan, en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van 2000 paardekracht.
“Nu,” dacht ik, “een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij, dat is nog al zoo iets!”
Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.
Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren; dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.
Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: “Daar is het ding weer, achter ons, aan bakboord,” riep de harpoenier. Aller blikken richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven; het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.
Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dat [39]het beest slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was, maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed gevormd te zijn.
Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik maakte daaruit en uit al het andere
Comments (0)