American library books » Other » The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕

Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕».   Author   -   Ramona Finn



1 ... 13 14 15 16 17 18 19 20 21 ... 79
Go to page:
Koenraad wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij; daarom zeide hij: “Gij zijt een visschendooder, mijn [103]vriend, een zeer handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen verdeelt.”

“Welzeker,” antwoordde de harpoenier ernstig, “in visschen die men eet, en die men niet eet!”

“Dat is de onderscheiding van een vraat,” antwoordde Koenraad; “maar zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en kraakbeenachtige visschen?”

“Misschien wel, Koen.”

“En de onderverdeeling van die beide groote klassen?”

“Ik heb er nooit van gehoord,” antwoordde Ned.

“Welnu, hoor mij aan en onthoud het,” en daarop begon hij eene geleerde verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: “Ziet gij, mijn beste Ned, als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets, want de familiën worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten, verscheidenheden ....”

“Welnu, vriend Koen,” viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij tegen het raam leunde, “daar heb je verscheidenheid genoeg.”

“Ja, allerlei visschen,” zeide Koenraad, “men zou denken dat men voor een aquarium zat.”

“Neen,” voegde ik hem toe, “want een aquarium is een kooi en hier zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht.”

“Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt,” vroeg Ned Land.

“Ik?” antwoordde Koenraad, “daar ben ik niet toe in staat; dat is de zaak van mijn meester.”

En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben gevormd.

Het zeewater was helder verlicht.

Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid; ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige exemplaren. Onze verbazing was voortdurend [104]ten hoogste gespannen; onze uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne bewegingen en de schoonheid [105]hunner vormen. Nooit was mij het geluk te beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element te aanschouwen.

De zee werd vlammend rood gekleurd.

Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onze [106]verbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en Chineesche zeeën slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door het schitterende electrieke licht.

Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan; de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien kilometer in het uur maakten.

Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer; mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak lekkerder was dan van zalm.

Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus den snellen Zwarten stroom volgde.

[Inhoud] Eene schriftelijke uitnoodiging.

Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of “mijnheer goed geslapen had,” en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warm [107]is. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.

Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd, toch hare schoone kleuren hadden behouden.

De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer, de diepte tusschen de 50 en 60 meter.

Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.

Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef, hetwelk uit zeegras gemaakt was.

Den 11den November bemerkte ik ’s morgens reeds zeer vroeg aan de versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten, komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken, welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus, die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen schoonen, vroolijken [108]zonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat, zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus; “Nautron respoc lorni virch.” Wat het beteekende zou ik niet kunnen zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen; ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.

Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde, Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens door denzelfden persoon uitgesproken. De kapitein verscheen niet. Ik had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16den November met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open, hij was met eene duidelijke hand, doch met eenigszins gothische letters geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.

Deze brief luidde aldus:

Aan den hoogleeraar Aronnax,

aan boord van de Nautilus.

16 November 1867.

Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem vergezellen.

De kapitein van de Nautilus,

“Nemo.”

“Eene jachtpartij!” riep Ned.

“En in de bosschen van het eiland Crespo?” voegde Koenraad er bij.

“Maar hij gaat dan toch aan land?” hervatte Ned.

“Ik geloof dat dit vrij duidelijk is,” zeide ik, den brief nog eens lezende.

“Welnu, wij moeten aannemen,” zeide Ned. “Als wij eens vasten grond onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen; overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken versch wild tusschen de tanden krijg.”

Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodiging [109]tot eene boschjacht, en antwoordde dus: “Laat ons eerst eens zien wat eiland Crespo is.”

Ik deed het maal eer aan.

Ik bekeek de kaart en vond op 32° 40′ N.B. en 167° 50′ O.L. een [110]eilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd, op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata; hetwelk “Zilverrots” beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800 kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan, terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots; welke vergeten in ’t midden van de Stille Zuidzee lag.

“Indien kapitein Nemo soms aan land gaat,” zeide ik, “dan kiest hij ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn.”

Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid te rusten.

Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en ik gereed waren hem te volgen.

“Alléén mijnheer,” voegde ik er bij, “zij het mij vergund u eene vraag te doen.”

“Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden, zal ik het doen.”

“Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met het land hebt afgebroken, bosschen op het eiland Crespo bezit?”

“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “de bosschen welke ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken ze alléén; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op het land, maar onder de zee.”

“Onderzeesche bosschen!” riep ik uit.

“Zooals gij zegt, mijnheer.”

“En gij wilt er mij in brengen?”

“Juist.”

“En te voet?”

“Zelfs

1 ... 13 14 15 16 17 18 19 20 21 ... 79
Go to page:

Free e-book: «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕»   -   read online now on website american library books (americanlibrarybooks.com)

Comments (0)

There are no comments yet. You can be the first!
Add a comment