American library books » Other » The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕

Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕».   Author   -   Ramona Finn



1 ... 17 18 19 20 21 22 23 24 25 ... 79
Go to page:
huishouding van den aardbol!”

De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.

De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat heen en weder, en kwam weder naar mij toe: “Wat de infusiediertjes aangaat,” hernam hij, “die millioenen beestjes die in oneindig getal in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op, verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft, wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan, dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar dat het element des levens is voor millioenen dieren en—voor mij!”

Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en wekte in mij eene buitengewone ontroering op.

“Daar,” voegde hij er nog bij, “is het ware leven! Ik zou haast kunnen droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet eenig tiran....”

De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen, en vroeg mij:

“Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?”

“Ik weet ten minste,” zeide ik, “wat de voornaamste peilingen ons geleerd hebben.”

“Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?”

“Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten,” antwoordde ik. “Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter, en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35sten graad gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen.”

“Zeer goed, mijnheer,” antwoordde de kapitein, “doch wij zullen [131]u hoop ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000 meter bedraagt.”

Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem, en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de log toonde eene snelheid van twintig kilometer in ’t uur aan.

Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan.

Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld, en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die onderzeesche bosschen te bezoeken.

Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal, en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld te bespieden.

Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 á 150 meter. Eens evenwel, ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige thermometer wees eene temperatuur aan van 4° 25’, welke op deze diepte onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn.

Den 26sten November ging de Nautilus op 172° lengte over den Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer afgelegd. Toen ik ’s morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer onder den wind Hawaï, het voornaamste der zeven eilanden waaruit deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is, daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.

De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op 142° lengte den 1sten December over den evenaar; drie dagen later kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie kilometer afstand zag ik op 8° 57′ Z.B. en 139° 32′ W.L. het hooge Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield er niet van om dicht bij het land te komen. [132]De netten leverden ons daar evenals bij Hawaï schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort (choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten, doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer; op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen; zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italië gegeten.

In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen verschillende soorten herkende, welke d’Orbigny voor den Grooten Oceaan heeft opgegeven.

Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan doordringen.

Den 11den December zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.

“Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?” vroeg hij met zonderlinge stem.

“Wat is er dan, Koenraad?”

“Mijnheer moet maar eens zien.”

Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam mij eene gedachte voor den geest. [133]

Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.

“Een schip!” riep ik uit.

“Ja,” zeide Ned Land, “een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.” [134]

De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons, welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven, maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven, doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit; zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar bij het gezicht van die als ’t ware op heeter daad betrapte schipbreuk, welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen, zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik een oogenblik op den spiegel lezen kon:

Florida, Sunderland.

[Inhoud] Vanikoro.

Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen, welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedert [135]wij in meer bezochte zeeën kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die door den roest werden verteerd.

Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in het gezicht. Het waren de “Gevaarlijke eilanden” van Bougainville, die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten naar het West-Noord-Westen tusschen 253° 50’ en 13° 30′ Z.B. en 151° 30′ en 125° 30′ W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam, maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels, en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.

Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide hij koeltjes:

“Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft, maar nieuwe menschen!”

Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep, welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te danken hebben.

De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes, welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de kusten van Nieuw-Caledonië en van verschillende eilanden van den Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.

Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende, bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige kalkformatie schitterde

1 ... 17 18 19 20 21 22 23 24 25 ... 79
Go to page:

Free e-book: «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕»   -   read online now on website american library books (americanlibrarybooks.com)

Comments (0)

There are no comments yet. You can be the first!
Add a comment