The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.
“Een ongeluk?” vroeg ik.
“Neen, een toeval,” was zijn antwoord.
“Maar een toeval,” hernam ik, “dat u misschien verplichten zal om het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen.”
De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: “Bovendien mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden.”
“Maar toch kapitein,” antwoordde ik, zonder acht te geven op de spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, “de Nautilus is gaan vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt (hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder vlot zult komen.” [149]
Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.
“Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standen [150]der zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben.”
Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden ingemetseld.
“Welnu mijnheer!” zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein naar mij toe kwam.
“Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot te maken.”
“Meent gij dat?”
“Ja zeker.”
“En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van die verwenschte klip te komen?”
“Het tij is immers voldoende,” antwoordde Koenraad bedaard.
De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de zeeman, die uit hem sprak.
“Mijnheer,” antwoordde hij, “geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij ’t pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om dien kapitein Nemo de hakken te laten zien.”
“Vriend Ned,” antwoordde ik, “ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in ’t gezicht hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is ’t eene andere zaak; het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen.”
“Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?” hernam Ned Land. “Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten.”
“Nu heeft vriend Land gelijk.” zeide Koenraad, “en ik ben het met hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten op het vaste deel van onzen aardbodem?”
[151]
“Ik kan het hem wel eens vragen,” antwoordde ik, doch hij zal het weigeren.
“Het is in allen gevalle te wagen,” zeide Koenraad, “en dan weten wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid te houden hebben.”
Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de handen van de Papoea’s te vallen!
Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, en dat Ned Land de boot alléén zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.
Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.
“Vleesch,” riep hij herhaaldelijk, “vleesch zullen wij dan proeven, en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen.”
“Lekkerbek!” zeide Koenraad, “het water komt mij in den mond.”
“Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn,” zeide ik, “en of het wild er niet zóo groot is, dat het den jager wegjaagt.”
“Goed zoo, mijnheer Aronnax,” antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo scherp als een bijl schenen te zijn, “maar ik zal zelfs een tijgerrib eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is.”
“Vriend Ned maakt ons bang,” zeide Koenraad.
“Hoe het ook zij,” hernam de harpoenier, “het eerste dier op vier [152]of op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in zijn ribben.”
“Goed!” antwoordde ik, “daar gaat de onverzichtigheid van meester Land weer beginnen.”
“Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen.”
Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het eiland Gueboroar omringden.
Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, “passagiers op de Nautilus,” maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.
Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.
“Uitmuntend!” zeide Ned.
“Uitstekend!” antwoordde Koenraad.
[153]
Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.
“Ik geloof niet,” zeide de Amerikaan, “dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?” [154]
“Ik geloof het ook niet,” antwoordde ik, “maar hij zal er niet van willen proeven.”
“Zooveel te erger voor hem,” meende Koenraad.
“En zooveel te beter voor ons,” antwoordde Ned Land “des te meer houden wij.”
“Een woord slechts, Ned,” zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, “de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden.”
“Mijnheer heeft gelijk,” antwoordde Koenraad, “en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb.”
“Koen, wij moeten aan niets wanhopen,” antwoordde Ned.
“Laat ons dan verder gaan,” hernam ik, “maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!”
“Nu, nu!” riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.
“Wat, Ned?” riep Koenraad.
“Ik begin waarachtig te begrijpen,” hervatte de Amerikaan, “hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!”
“Ned, Ned, wat zegt gij daar?” antwoordde Koen. “Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?”
“Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen.”
“Ik vertrouw het maar half!” zeide Koenraad. “Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen.”
Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welke [155]uitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.
Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.
“Ik mag sterven, mijnheer,” zeide hij, “als ik niet van dien broodboom eet.”
“Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus.”
“Het zal niet lang duren!” zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak
Comments (0)