The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
“Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is.”
“Vooral als men in lang geen brood gehad heeft,” zeide Koen.
“Het is zelfs geen brood meer,” voegde de Amerikaan er bij: “het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?”
“Neen, Ned.”
“Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer.”
Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.
“Ongelukkig,” zeide ik, “kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen.”
“Welnu komaan, mijnheer!” riep Ned Land uit, “gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan.”
“En hoe maakt gij die gereed?” vroeg ik.
“Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te [156]bederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden.”
“Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?”
“Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!”
“Laat ons die dan zoeken.”
Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.
Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.
“Ontbreekt u niets?” vroeg Koenraad.
“Hem!” kuchte de Amerikaan.
“Wat beklaagt gij u?”
“Al die planten en vruchten maken geen maal uit,” antwoordde Ned. “Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?”
“Zeker, Ned,” zeide ik, “gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren.”
“Mijnheer,” antwoordde de Amerikaan, “de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders....”
“En is het van daag niet, dan is het morgen,” voegde Koen er bij, “want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren.”
“Wat, nu reeds?” riep Ned Land.
“Wij moeten voor den nacht terug zijn,” zeide ik.
“Maar hoe laat is het dan!” vroeg de Amerikaan.
“Ten minste twee uur,” gaf Koenraad ten antwoord.
“Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om,” zuchtte Ned Land treurig.
“Op weg,” riep Koenraad.
Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.
Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar [157]beladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van [158]8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.
Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s’avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.
Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.
De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen. [159]
Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.
“Dat zijn nog maar vogels,” zeide Koenraad.
“Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!” antwoordde de harpoenier.
“Ik geloof het niet, vriend Ned,” hervatte Koenraad, “want ik zie niets dan papegaaien.
“Vriend Koen,” was het deftige antwoord van den Amerikaan, “de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft.”
“En ik zal er nog bijvoegen,” zeide ik, “dat als hij goed wordt klaar gemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is.”
En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe’s, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.
Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.
“Paradijsvogels!” riep ik uit.
“Orde der musschen, afdeeling der....” antwoordde Koenraad.
“Is het ook familie van de patrijzen?” viel Ned Land hem in de rede.
“Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen.”
“Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan.”
De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin de paradijsvogels bij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken. [160]Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.
Tegen elf uur ’s morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.
“Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten,” zeide Koenraad.
“En wat ontbreekt u nu nog, Ned?” vroeg ik den Amerikaan.
“Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax,” antwoordde Ned Land. “Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten.”
“En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb.”
“Laat ons de jacht dan voortzetten,” antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.
Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.
“Bravo Koen, bravo!” riep ik.
“Mijnheer is wel goed.” antwoordde Koenraad.
“Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!”
“Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt.”
“En waarom Koen?”
“Omdat die vogel zoo dronken als een snip is.”
“Dronken?”
“Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens,
Comments (0)