The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) đź“•
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust om eens in het heldere water met een schepnet te visschen, daar ik schelpen en [168]planten in menigte op den bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag, dat de Nautilus in deze streken doorbracht, als zij ten minste den volgenden dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hooge zee zou losraken.
Ik riep Koenraad, die mij een klein schepnet bracht, van de soort, waarmede men gewoonlijk oesters vischt.
“En die wilden?” vroeg Koenraad, “zij schijnen zoo erg boos niet.”
“Het zijn toch menscheneters, mijn jongen.”
“Men kan menscheneter en braaf zijn,” hernam Koenraad, “even zooals men gulzig en eerlijk man kan wezen. Het eene sluit het andere niet uit.”
“Goed, Koen, ik stem u toe, dat het eerlijke menscheneters zijn en dat zij hunne gevangenen fatsoenlijk opeten; maar daar ik zelfs niet eens fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapitein schijnt geen de minste voorzorgen te nemen. En nu aan ’t werk.”
Wij vischten ijverig gedurende twee uur, doch zonder eenig zeldzaam stuk op te halen; ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets bijzonders, alleen een stuk of wat paarloesters en een dozijn kleine schildpadden, die wij voor den kok bewaarden. Doch op ’t oogenblik, dat ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder, of liever gezegd eene natuurlijke misvorming te zien welke men zelden ontmoet. Koen had het net weder uitgeworpen en haalde het met zeer gewone schelpen op, toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp uithalen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief.
“Wat scheelt er aan, mijnheer?” vroeg hij zeer verwonderd. “Is mijnheer gebeten?”
“Neen mijn jongen, en toch zou ik voor zulk eene ontdekking wel een lid van een vinger willen missen.”
“Welke ontdekking?”
“Deze schelp,” zeide ik, hem het voorwerp mijner blijdschap toonende.
“Het is doodeenvoudig een purperolijf, klasse
“Ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn, is deze juist omgekeerd.”
“Omgekeerd?”
“Ja mijn vriend, het is een linksche schelp!”
“Een linksche schelp!” herhaalde Koenraad met een van vreugde kloppend hart.
“Zie maar eens.”
“Mijnheer kan mij gerust gelooven,” zeide Koenraad, terwijl hij de kostbare schelp met bevende hand aanvatte, “ik ben nog nooit zoo blijde geweest.”
Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde.
En er was wel reden toe; men weet toch dat rechts wenden volgens [169]de opmerkingen der natuuronderzoekers een wet van de natuur is. De hemellichamen en hunne wachters bewegen zich bij hunne omwenteling om de zon en om zich zelven van rechts naar links; [170]de mensch gebruikt liefst de rechterhand, zoodat allerlei werktuigen en inrichtingen als trappen, sloten, horlogeveeren, enz. enz. zoodanig gemaakt zijn, dat zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd in het draaien der schelpen; zij zijn allen rechts op zeer zeldzame uitzonderingen na, en als er soms gevonden worden die links gedraaid zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud.
Koen en ik waren dus verrukt op het gezicht van onzen schat, en ik vatte het plan reeds op om er ons Museum mede te verrijken, toen een noodlottige steen, door een inboorling geworpen, het kostbare voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stiet een wanhopigen kreet uit! Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde, die zijn slinger op tien meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde den armband van amuletten, welke om den arm van den Papoea geslingerd zat.
“Koen!” riep ik, “Koen!”
“Wat, ziet mijnheer dan niet dat die kannibaal ons aanvalt”
“Een schelp is geen menschenleven waard!” zeide ik.
“O, die schavuit! ik wilde liever dat hij mij den arm had verbrijzeld.”
Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens; echter was de toestand sinds eenige minuten veranderd, zooals wij bemerkten. Een twintigtal prauwen omringden ons; die vaartuigen van uitgeholde boomstammen gemaakt, waren lang, smal, vlug in de vaart, en bleven recht op het water liggen door twee bamboezen zwaarden, welke aan weerszijden op het water steunden. Zij werden door halfnaakte wilden gepagaaid, en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen.
Het was duidelijk dat die Papoea’s reeds met Europeanen in aanraking waren geweest, en hunne schepen kenden. Maar wat moesten zij wel denken van dien langen ijzeren cylinder, zonder mast of schoorsteen? Niets goeds, want zij waren eerst op eerbiedigen afstand gebleven; toen zij hem echter onbeweeglijk zagen liggen, vatten zij moed, en wilden er nader kennis mede maken; doch juist die kennismaking moest belet worden. Onze geweren, wier schot geen knal gaf, konden dien inboorlingen slechts weinig vrees inboezemen, daar zij slechts eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook zonder den donder de menschen niet verschrikken, hoewel het gevaar in het eerste en niet in het geraas gelegen is.
Op dit oogenblik naderden de prauwen dichter bij de Nautilus, en het regende pijlen om ons heen.
“Te drommel, het hagelt,” riep Koenraad, “misschien is het wel vergiftigde hagel!” [171]
“Ik zal den kapitein waarschuwen,” zeide ik, naar binnengaande.
Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om aan de deur van Nemo’s kamer te tikken.
“Binnen!” riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol speelden.
“Hinder ik u ook?” vroeg ik uit beleefdheid
“Ja, mijnheer,” was het korte antwoord; “doch ik geloof dat gij ernstige redenen hebt om bij mij te komen!”
“Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.’”
“Zoo,” zeide de kapitein bedaard, “zijn zij met hunne prauwen gekomen?”
“Ja kapitein.”
“Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?”
“Juist, en ik kwam u zeggen....”
“Niets is gemakkelijker,” zeide Nemo, en op een electrieken knop drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel.
“Het is reeds geschied, mijnheer,” zeide hij na eenige oogenblikken. “De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade aan toebrachten!”
“Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar.”
“Welk, mijnheer?”
“Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de Nautilus te ververschen.”
“Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt.”
“Maar als op dat oogenblik de Papoea’s op het plat zijn, dan zie ik niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen.”
“Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?”
“Ik ben er zeker van.”
“Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea’s en, ik wil niet dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die ongelukkigen kost.”
Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel mede te deelen, was de kapitein inderdaad veel hartelijker.
Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d’Urville op het punt was geweest van te vergaan.
“Die d’Urville was een van uwe grootste zeelieden,” zeide de [172]kapitein, “een van de verstandigste zeevaarders, Het is een Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool, de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken, wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?”
Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen.
Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan.
“Wat uw d’Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft,” zeide kapitein Nemo, “dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zélee werden onophoudelijk door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus een kalme studeerkamer heeten mag.”
“En toch,” zeide ik, “is er een punt van overeenkomst tusschen de korvetten van Dumont d’Urville en de Nautilus.”
“Welk, mijnheer?”
“Dat de Nautilus evenals zij gestrand is.”
“De Nautilus is niet gestrand, mijnheer,” antwoordde de kapitein bedaard; “de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen, en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d’Urville met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en de Zélee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten.”
“Kapitein,” zeide ik, “ik twijfel niet....”
“Morgen,” voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, “morgen middag twintig minuten voor drieën, zal de Nautilus vlot worden, en zonder schade de Torrestraat verlaten.”
Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek met den kapitein gehad had.
“Mijn jongen,” zeide ik, “toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden toon geantwoord. Ik kan u dus slechts éen ding antwoorden: vertrouw op hem, en ga gerust slapen.”
“Heeft mijnheer mij niet noodig?”
“Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?”
“Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker moet worden,” antwoordde Koenraad. [173]
Tien wilden ondergingen hetzelfde lot.
Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij, [174]zonder dat de equipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen, als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de blindeering loopen.
Ik stond ’s morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus.
Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie; in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben, en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen, voordat zij deze klippen verlaten kon.
Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren.
Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon.
“Wij gaan vertrekken,” zeide hij.
“Zoo?” antwoordde ik.
“Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen.”
“En de Papoea’s?”
“De Papoea’s?” antwoordde de kapitein schouderophalend.
“Zullen zij niet in de Nautilus komen?”
“Hoe zoo?”
“Wel, door het luik, als gij het laat open
Comments (0)