The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) đź“•
Read free book «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕» - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online «The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) 📕». Author - Ramona Finn
Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide, welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op te wekken. Daarna wilde d’Urville vertrekken, doch zijne manschappen hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf ernstig ziek was, kon hij niet vóor 17 Maart vertrekken.
De Fransche regeering, bang dat d’Urville niet op de hoogte was van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet de [143]Bayonnaise, onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Pérouse hadden ontzien.
Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.
“Dus weet men nog niet,” zeide hij, “waar dit derde schip is vergaan, hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?”
“Neen, kapitein.”
Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers, kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met hare levende bloemen overdekt had.
Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de kapitein op ernstigen toon:
“Kapitein La Pérouse vertrok 7 December 1785 met zijne schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonië, richtte toen den steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was, hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen, hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Pérouse. Zij zetten koers naar de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van het voornaamste eiland dier groep.”
“En hoe weet gij dat?” vroeg ik.
“Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb.”
Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch nog leesbare papieren. Het waren de instructiën van den Minister van Marine aan La Pérouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige aanteekeningen had gemaakt. [144]
“Het is een schoone dood voor een zeeman!” zeide toen kapitein Nemo. “Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!”
In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.
Den 1sten Januari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het plat bij mij.
“Mijnheer,” zeide de brave jongen, “zal mij toch niet kwalijk nemen als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?”
“Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?”
“Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden,” zeide Koenraad. “Zeker is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat, weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene gelegenheid nooit weder krijgen.”
“Nooit, Koen.”
“En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt, ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond.”
“Het is zooals ge zegt, Koen.”
“Ik denk dus, als mijnheer ’t mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien.”
“Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt Ned Land er van?”
“Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik,” antwoordde Koenraad. “Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, en [145]maakt een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoon [146]was biefstuk te eten, en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate.”
De Nautilus had op een klip gestooten.
“Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken.”
“Ik ook,” antwoordde Koenraad; “ik denk er dus even sterk over om te blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch mijnheer veel heil en zegen in ’t nieuwe jaar.”
“Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen, en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik heb niets anders te geven.”
“Mijnheer is nooit zoo gul geweest,” zeide Koenraad, en daarmede ging hij heen.
Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australië. Ons vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank, waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid, dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.
Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.
Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4den Januari, verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.
Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte van 640,000 vierkante kilometer. Het ligt tusschen 0° 19′ en 10° 2′ Z.B. en tusschen 128° 23′ en 146° 15′ O.L. Om twaalf uur, toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten eindigde. [147]
Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd achtereenvolgens bezocht door don José Meneses in 1526, door Grijalva in 1527, door den Spaanschen generaal Alvaro de Saavedra in 1528, door Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret, Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d’Urville en anderen. “Het is de bakermat der Maleische kleurlingen,” zeide de Rienzi, doch ik dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.
De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torréz zich doorwaagde, toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en waar in 1840 de korvetten van Dumont d’Urville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.
De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.
Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaats genomen. Vóór ons was het kastje van den stuurman, en ik moet mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen.
Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te voorschijn kwamen.
“Dat is een leelijke zee!” zeide Ned Land.
“Afschuwelijk,” antwoordde ik, “zij is niet best voor de Nautilus.”
“Die vervloekte kapitein,” hernam de Amerikaan, “moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte.”
Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke voor Dumont d’Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts wendde en tusschen een groot aantal weinig bekende [148]eilandjes en rotsen door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d’Urville op de rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.
Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal.
Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel
Comments (0)