American library books Β» Other Β» The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) πŸ“•

Read book online Β«The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) πŸ“•Β».   Author   -   Ramona Finn



1 ... 15 16 17 18 19 20 21 22 23 ... 79
Go to page:
tot op tien meter onder water bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door, en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde, was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.

Eene monsterachtige zeespin.

[117]

Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijke [118]helderheid terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker, dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het volle daglicht.

Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht; maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder licht ons den weg naar boord aanwijzen.

Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds werd uitgewischt.

Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de schoonste zoΓΆphyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt, ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel, oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte, met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.

Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan; zeker was die brave jongen bij die massa zoΓΆphyten en molusken weder aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was; daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om op te loopen, en [119]konden met de zachtste, door menschenhanden geweven tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste diepten van den Oceaan gevonden werden.

Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten; het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred, hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht, en het plant zich met viervoudige snelheid voort.

Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding, waaraan ik zΓ³o weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.

Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd, zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.

Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa, welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.

β€œDit is het bosch van het eiland Crespo,” dacht ik, en ik bedroog mij niet.

[Inhoud] Een onderzeesch woud.

Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, dat [120]zeker een der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen?

Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt.

Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk van de rechtstandigheid te zijn.

Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen, evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen; en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen.

Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van planten en zoΓΆphyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig natuuronderzoeker eens kon uitroepen: β€œZonderlinge tegenstrijdigheid, wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en het plantenrijk geen bloemen heeft!”

De kapitein hield plotseling stil.

Tegen één uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijk [121]toe; wij misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts even tegen dien van Koenraad aan; ik zag de [122]oogen van den braven jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog.

Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond, zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging van het loopen alléén had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld.

Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd, scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg.

Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen.

Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen tocht.

De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten; het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen; maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek toestel in werking [123]gebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld, evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht.

Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van allerhande soort door elkander krioelde.

Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling.

Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren

1 ... 15 16 17 18 19 20 21 22 23 ... 79
Go to page:

Free e-book: Β«The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) πŸ“•Β»   -   read online now on website american library books (americanlibrarybooks.com)

Comments (0)

There are no comments yet. You can be the first!
Add a comment