The Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) ๐
Read free book ยซThe Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) ๐ยป - read online or download for free at americanlibrarybooks.com
- Author: Ramona Finn
Read book online ยซThe Lofties (The Echelon Book 2) by Ramona Finn (no david read aloud .txt) ๐ยป. Author - Ramona Finn
De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer van de naaste kust verwijderd. [181]
... ging ieder in een hoek zitten.
De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet, en was in tegenstelling met zijn meester in [182]zenuwachtige spanning. Het geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt; hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon, van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken.
Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten, en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan, maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij.
โMijnheer Aronnax,โ zeide hij op gebiedenden toon, โik eisch van u de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt.โ
โWelke, kapitein?โ
โGij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven.โ
โGij zijt heer en meester,โ antwoordde ik hem, en keek hem strak aan; โdoch mag ik u eene vraag doen?โ
โNeen, mijnheer.โ
Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen, omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd; wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht. [183]
โZal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?โ vroeg Koenraad.
Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud door deze woorden van Ned Land:
โKijk eens, het ontbijt staat op tafel.โ
Inderdaad, de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang van den Nautilus deed versnellen.
โZal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad geef?โ vroeg Koenraad.
โNeen, mijn jongen!โ antwoordde ik.
โWelnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij weten niet wat er gebeuren kan.โ
โGij hebt gelijk, Koen.โ
โOngelukkig,โ zeide Ned Land, โheeft men ons slechts de gewone scheepskost voorgezet.โ
โZeg eens, vriend Ned,โ merkte Koenraad op, โwat zoudt ge wel gezegd hebben, als er in het geheel niets stond?โ
Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken; en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit, en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren!
Ik hoorde het luik sluiten, en bemerkte dat het lichte slingeren van het vaartuig door de deining der zee ophield. Zakte de Nautilus naar de diepte?
Ik wilde aan den slaap weerstand bieden, doch dit was onmogelijk; mijne ademhaling werd zwakker; ik voelde eene kille huivering door mijn loome en als verlamde ledematen. Mijne oogleden vielen, [184]alsof ze van lood waren, over mijne oogen; ik kon ze niet meer oplichten; een doffe slaap, vol allerlei droombeelden maakte zich van mij meester; toen verdwenen mijne visioenen en ik bleef als dood liggen.
Den volgenden morgen werd ik zonder hoofdpijn wakker; tot mijne groote verbazing was ik in mijne kamer. Mijne makkers waren waarschijnlijk ook weder in de hunne gebracht, zonder er iets van gemerkt te hebben. Zij wisten evenmin als ik wat er gedurende den nacht gebeurd was, en ik kon slechts op een toeval rekenen om ooit achter dit geheim te komen.
Ik wilde gaarne mijne kamer verlaten, doch zou ik daartoe wel de vrijheid hebben? Ik opende de deur, ik was volkomen vrij! Ik ging door den gang naar de trap; het luik was weder geopend, en ik kwam op het plat. Ned Land en Koenraad wachtten er mij reeds; ik ondervroeg hen; zij wisten niets. In een zwaren slaap gedompeld, welke hun alle herinnering ontnam: waren zij zeer verwonderd geweest in hunne hut op bed te liggen.
De Nautilus was kalm en geheimzinnig als altijd; zij dreef op de oppervlakte, en ging slechts met matige snelheid vooruit. Niets scheen aan boord veranderd te zijn.
Ned Land liet zijn doordringend oog over de zee dwalen, maar deze was geheel verlaten; de Amerikaan zag niets aan den gezichteinder, noch land, noch schip. Er woei een stevige westewind, en groote golven door dien bries opgedreven deden het schip vrij erg slingeren. Nadat de Nautilus de lucht had ververscht, bleef zij op eene diepte van vijftien meter drijven, zoodat zij in elk geval spoedig weder aan de oppervlakte der zee verschijnen kon, iets wat tegen de gewoonte dien dag verscheidene malen gebeurde. Dan ging de stuurman op het plat, en sprak den gewonen volzin uit. De kapitein verscheen niet; van het scheepsvolk zag ik allรฉรฉn den strakken hofmeester, die mij met zijne gewone nauwkeurigheid en stilzwijgendheid bediende.
Daar lag een veertigjarig man met een krachtig gelaat.
Tegen twee uur was ik in de salon bezig om aanteekeningen te maken, toen de deur openging en de kapitein verscheen. Ik groette hem; hij groette slechts even terug zonder te spreken. Ik [185]ging weder aan mijn werk, hopende dat hij mij eenige verklaring zoude geven van de gebeurtenissen van den vorigen nacht, doch niets daarvan; ik zag hem eens aan. Hij scheen vermoeid, zijne roode [186]oogen bewezen dat hij niet geslapen had; zijn gelaat drukte diepe droefheid, eene wezenlijke smart uit. Hij wandelde heen en weder, ging zitten en stond weer op, nam een boek op en legde het aanstonds weer neer, beschouwde zijne instrumenten, zonder daarbij zijne gewone aanteekeningen te maken, en scheen geen oogenblik stil te kunnen blijven.
Eindelijk kwam hij naar mij toe en zeide:
โZijt gij geneesheer, mijnheer Aronnax?โ
Ik was zoo weinig op die vraag verdacht, dat ik hem eenigen tijd zonder antwoord te geven, aankeek.
โZijt gij geneesheer?โ vroeg hij nog eens. โDe meesten uwer ambtgenooten, zooals Gratiolet, Tandon en anderen, hebben in de medicijnen gestudeerd.โ
โIk was inderdaad dokter aan het hospitaal,โ zeide ik. โIk heb verscheiden jaren de praktijk uitgeoefend, vรณรณr ik aan het Museum geplaatst werd.โ
โGoed, mijnheer.โ
Mijn antwoord scheen den kapitein te voldoen, maar niet wetende wat zijne vraag te beduiden had, wachtte ik en nam mij voor overeenkomstig de omstandigheden te antwoorden.
โMijnheer Aronnax,โ zeide de kapitein, โzoudt gij een van mijne manschappen willen behandelen?โ
โHebt gij dan een zieke aan boord?โ
โJa.โ
โIk ben gereed om u te volgen.โ
โKom dan.โ
Ik beken dat mijn hart klopte; ik weet niet waarom ik eenig verband maakte tusschen de ziekte van dien man en de gebeurtenissen van den vorigen dag; dit geheim maakte mij niet minder nieuwsgierig dan de zieke.
De kapitein bracht mij naar het achterschip in eene hut dicht bij het matrozenverblijf. Daar lag een veertigjarig man met een krachtig gelaat, dat zijne Angelsaksische afkomst verried. Ik boog mij over hem heen; het was geene zieke maar een gewonde. Zijn hoofd was met bloedige zwachtels omwonden, en rustte op een kussen. Ik maakte het verband los; de gewonde opende zijne groote glazige oogen, en liet mij begaan zonder eenig geluid te geven.
Het was eene vreeselijke wond; de hersenpan was door een kneuzend werktuig verbrijzeld; de hersens lagen bloot, en hadden erg geleden. Geronnen bloed was in de hersens geloopen, en gaf daaraan de kleur van wijnmoer; de hersens waren dus niet alleen gekneusd, maar ook erg beleedigd; de zieke haalde langzaam adem; de spieren van zijn gelaat trokken zich nu en dan krampachtig te zamen. Hij had hersenontsteking in den hevigsten graad, hetwelk verlamming en gevoelloosheid te weeg bracht. [187]
Ik voelde hem den pols; deze was tusschenpoozend, het uiteinde zijner ledematen werd reeds koud, en ik zag dat de dood naderde, zonder dat het mogelijk was er iets tegen te doen. Toen ik den ongelukkigen verbonden en goed gelegd had, keerde ik mij naar den kapitein.
โHoe is deze wond toegebracht?โ vroeg ik hem.
โWat doet dat er toe?โ was zijn ontwijkend antwoord. โEen schok van de Nautilus heeft een der hefboomen van de machine doen breken, en deze man werd er door getroffen. De stuurman stond naast hem, hij wilde hem met zijn lichaam beschermen.... Een broeder, die zich voor zijn broeder, een vriend, die zich voor zijn vriend opoffert; wat is eenvoudiger; het is eene algemeene wet op de Nautilus. Maar wat zegt gij van zijn toestand?โ
Ik aarzelde om te spreken.
โGij kunt gerust spreken,โ zeide de kapitein, โdie man verstaat geen Fransch.โ
Ik keek den gewonde nog eens aan, en antwoordde:
โDie man zal binnen twee uur dood zijn.โ
โKan niets hem meer redden?โ
โNiets.โ
De hand van den kapitein wrong zich krampachtig samen, en eenige tranen sprongen hem uit de oogen, welke ik niet dacht dat ooit tranen konden storten. Ik beschouwde
Comments (0)